Mijn naam is... Fabi Labi Dikan

Labi van de DikanArtist Name
00:00 / 05:22

Mijn naam is Alabi of Labi van de Dikan clan van het marronvolk der Okanisi. Ik ben de gaantata of gaanman, de leider, van de groep. Jullie zouden zeggen een soort gekozen koning.

Mijn moeder is ooit gevlucht van een Surinaamse plantage, waar ze in slavernij leefde. Ze heeft zich aangesloten bij andere vluchtelingen en ze zijn een groep geworden, een clan. De Dikan clan of lô, zoals wij zeggen. Waarschijnlijk waren de meesten van onze groep vluchtelingen van de plantage van vader en zoon de Camp die door ons Dikan werden genoemd.

 

Hoe dat ging heb ik van de ouderen gehoord.

De Bakaa, de witte mensen, beschouwden ons als beesten. De behandeling die wij kregen was onmenselijk.  Dus toen het uur gekomen was om weg te vluchten hebben wij al onze kennis meegenomen. Ook de kennis van de mensen die al door de Bakaa om het leven waren gebracht. Toen we ’s morgens opstonden, hebben we ons goed ingesmeerd met een geheim medicijn om zonder gevaar het bos in te kunnen gaan, want we gingen het ongerepte bos in waar niemand vóór ons was geweest. De Bakaa konden ons niet te pakken krijgen. Zelfs de kaaiman durfde niet dichtbij te komen.

Het was de deesi, het medicijn, dat ze op de vlucht joeg. Wij hebben die medicijnen nog steeds. Als vrouwen moesten bevallen dan gaf dat wel problemen, maar die konden we ook oplossen dankzij onze medicijnen.

Hoe dan ook, ik ben in vrijheid geboren, in de bossen van Noordoost-Suriname, ergens rond het jaar dat jullie benoemen als 1710. Van jongs af aan ben ik gewend dat onze mannen gingen vechten tegen de plantages. Daar gingen we onze mensen bevrijden en we namen alles mee wat we nodig hadden, zoals wapens en werktuigen.

Ik heb me onderscheiden in die strijd en ook veel verschillende groepen, marrons, vluchtelingen, samengebracht. Daarom hebben ze mij na verloop van tijd tot hun leider gekozen. Ma Kato van de Otoo clan, die zich ook dapper had onderscheiden, heb ik als mijn vrouw gekozen. We waren zeer succesvol in onze strijd.

Op zekere dag kwamen twee zwarte afgezanten van de Bakaa bij ons om te vragen of we wilden onderhandelen. Wij vroegen ons af of we ze konden vertrouwen, want ze stonken echt naar Bakaa. Maar zij zeiden dat dat nu eenmaal niet anders kon als je bij de witte mensen leefde. Onze adviseur was Basiton. Hij kwam uit Jamaica. Daar had hij gezien hoe succesvol een vrede kon zijn voor marrons. We hebben naar hem geluisterd en de definitieve onderhandelingen begonnen. De eerste goederen arriveerden, maar waren niet echt tot onze tevredenheid. Teveel spiegels, te weinig wapens. Ik heb ze gezegd dat 1 spiegel genoeg is om onszelf in te bekijken, maar dat je spiegels niet kunt eten. Terwijl iedere man een geweer en kruit nodig heeft om te kunnen jagen.

We hebben onze zin gekregen. Later kwam een groep militairen om de definitieve vrede voor te bereiden. Ik liet hun aanvoerder, Vieira, zweren dat er geen vals spel gespeeld zou worden en de gouverneur in Paramaribo oprecht vrede wilde. Ik liet Vieira zijn hand uitsteken en maakte een paar sneetjes in het gewricht. Dat deed ik ook bij mezelf. Allebei lieten we wat druppels bloed in een glas rode wijn vallen dat Vieira had meegenomen. Allebei spraken we uit dat God ons zou doden als we niet eerlijk zouden zijn. We zijn nog tot het ochtendgloren in gesprek gebleven.

10 oktober 1760 was het zo ver. We hadden langdurig overlegd wat voor geschenken wij als afkoopsom wilden hebben en stelden een lange lijst samen. We spraken ook af dat we geen vluchtelingen zouden uitleveren, die onlangs zich nog bij ons hadden aangesloten.

Behalve ikzelf waren er de hoofdmannen Kwau en zijn zoon Agidi Kadeti en ]oris, mijn broer Kwamina Adyubi, Kaskari en Kendai Sukati. De negen hoofdmannen die er niet bij konden zijn hadden vertegenwoordigers gestuurd.

We lieten de Bakaa delegatie op onze manier zweren door wat bloed uit hun arm op een witte doek te druppelen en die in een kalebas met water uit te wringen, en wij deden dat ook. Zij maakten een lang papier waarop wij een kruisje moesten zetten. Ze zeiden dat daar onze namen stonden. Dat was hun manier. Toen was de vrede bezegeld.